Naar inhoud springen

chap

Uit WikiWoordenboek
  • chap
vervoeging van
chappen

chap

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van chappen
    • Ik chap. 
  2. gebiedende wijs van chappen
    • Chap! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van chappen
    • Chap je? 


enkelvoud meervoud
chap chaps

chap

  1. (informeel), (persoon) gozer, kerel,  vent zn 
  2. (informeel), , (persoon) (vooral VK) klant
  3. (persoon) (vooral in zuiden VS)  kind zn 
  4. (anatomie) kinnebak
  5.  kloof zn ,  scheur zn ,  spleet zn 
vervoeging
onbepaalde wijs to  chap 
he/she/it  chaps 
verleden tijd  chapped 
voltooid
deelwoord
 chapped 
onvoltooid
deelwoord
 chapping 
gebiedende wijs  chap 

chap

  1. overgankelijk  klieven ww ,  splijten ww ,  splitsen ww 
  2. overgankelijk (dialectaal, in Schotland en Noord-Engeland) neerslaan
  3. onovergankelijk opengaan, splijten (m.n. van de huid)