Naar inhoud springen

schelen

Uit WikiWoordenboek
  • sche·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
schelen
/'sxelə(n)/
scheelde
/'sxeldə/
gescheeld
/ɣə'sxelt/
zwak -d volledig

schelen

  1. een verschil maken
    • Dat scheelt een slok op een borrel. 
     Agnes en Frans zijn vreemde bondgenoten voor Jack Philips, maar dat kan hun waarschijnlijk niet schelen als het de gewenste wraak oplevert.[4]
     Ze kan nauwelijks ademhalen en voelt zich vreselijk alleen tussen al deze mannen, die het niet kan schelen of haar echtgenoot een eerlijk proces krijgt.[4]

deschelenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord scheel
98 %van de Nederlanders;
95 %van de Vlamingen.[5]