Naar inhoud springen

schat

Uit WikiWoordenboek
  • schat
  • In de betekenis van ‘waardevol bezit’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord schat schatten
verkleinwoord schatje schatjes

deschatv/m

  1. verzamelde rijkdom
    • De zeerovers hadden hun schat op een eiland begraven. 
  2. iemand die gevoelens van liefde of vertedering opwekt
    • Ach, wat een schat! 
     Wanneer heeft u Isaac voor het eerst verleid?' 'Schat, het was precies andersom.[3]
     ' Het is een schat van een meid, die Joy, maar ze heeft wel duidelijke begrenzing nodig.[4]
vervoeging van
schatten

schat

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van schatten
  2. gebiedende wijs van schatten
     Ik schat haar begin dertig en ik vraag me af wat zo iemand op een gezamenlijk wandelreis te zoeken heeft. Moet dat meisje niet gewoon naar een Lowlands? 'Ik heet Bibi,' zegt ze tegen niemand in het bijzonder.[4]
     'Het verhaal speelt zich af in de tijd van de Provo's, herinner je je dat nog?' Ze zal toch niet denken dat ik in de jaren zestig ben opgegroeid? Zo oud zie ik er toch niet uit? Ik schat Joy een jaar of veertig.[4]
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[5]