rubber

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rub·ber
enkelvoud meervoud
naamwoord rubber rubbers
verkleinwoord rubbertje rubbertjes

Zelfstandig naamwoord

rubber o

  1. een uit het sap van de rubberboom vervaardigd elastisch materiaal
    • In 2015 leek er een nieuwe Europese norm voor kankerverwekkende stoffen in rubber te komen, maar dankzij een succesvolle lobby van de branchevereniging van bandenfabrikanten valt rubber tot minstens 2017 niet onder die norm. [1] 
  2. (verkleinwoord) een stukje materiaal uit rubber of een ander elastisch materiaal vervaardigd.
  3. (materiaalkunde) een klasse gecrosslinkte polymere materialen boven hun glaspunt
  4. een condoom
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
stellend
onverbogen (alleen
attributief)
verbogen

Bijvoeglijk naamwoord

rubber

  1. van rubber vervaardigd

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen