caoutchouc

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ca·out·chouc
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘rubber’ voor het eerst aangetroffen in 1847 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord caoutchouc -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

caoutchouc m / o [3]

  1. rubber
stellend
onverbogen (alleen
attributief)
verbogen

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als bijvoeglijk naamwoord.

Bijvoeglijk naamwoord

caoutchouc

  1. rubberen

Gangbaarheid

32 % van de Nederlanders
75 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen