Naar inhoud springen

caoutchouc

Uit WikiWoordenboek
  • ca·out·chouc
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘rubber’ voor het eerst aangetroffen in 1847 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord caoutchouc -
verkleinwoord - -

caoutchouc m / o [3]

  1. rubber
stellend
onverbogen (alleen
attributief)
verbogen

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als bijvoeglijk naamwoord

caoutchouc

  1. rubberen
33 %van de Nederlanders;
73 %van de Vlamingen.[4]


enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  caoutchouc     le caoutchouc     caoutchoucs     les caoutchoucs  

caoutchouc m

  1. rubber