kapotje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ka·pot·je
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘condoom’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1912 [1]
  • afgeleid van kapot
enkelvoud meervoud
naamwoord
verkleinwoord kapotje kapotjes

Zelfstandig naamwoord

kapotje o dim. tant.

  1. (informeel), (seksualiteit) voorbehoedsmiddel dat om de penis aangebracht wordt
    • Ga wat kapotjes halen! 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
71 % van de Vlamingen.

Verwijzingen