rit

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rit
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rit ritten
verkleinwoord ritje ritjes
enkelvoud meervoud
naamwoord rit -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

rit

  1. m een korte reis te paard, op een fiets of in een voertuig [2]
    Over de Blueridge Parkway is dat een prachtige rit.
  2. o een snoer eieren van een kikvors, kikkerrit [3]
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
ritten

rit

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van ritten
  2. gebiedende wijs van ritten
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl
  3. etymologiebank.nl