rit

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rit
enkelvoud meervoud
naamwoord rit ritten
verkleinwoord ritje ritjes

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
naamwoord rit -
verkleinwoord - -

rit

  1. m een reis te paard, op een fiets of in een voertuig
    Over de Blueridge Parkway is dat een prachtige rit.
  2. o een snoer eieren van een kikvors
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen