oprit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·rit
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord oprit opritten
verkleinwoord opritje opritjes

Zelfstandig naamwoord

oprit m

  1. (verkeer) een toegangsweg tot een grotere weg
    • Hij koos de verkeerde oprit en kwam op de zuidelijke snelweg terecht. 
  2. (verkeer) een omhoog hellende weg naar een brug e.d.
    • Die oprit kan 's winters flink glad wezen. 
  3. een stuk weg tussen de openbare weg en het huis om de auto te parkeren of als toegang tot een garage
    • Parkeer je wagen maar op de oprit. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be