oprit
Uiterlijk
- op·rit
- samenstelling van op en rit
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | oprit | opritten |
| verkleinwoord | opritje | opritjes |
de oprit m
- (verkeer) een toegangsweg tot een grotere weg
- Hij koos de verkeerde oprit en kwam op de zuidelijke snelweg terecht.
- (verkeer) een omhoog hellende weg naar een brug e.d.
- Die oprit kan 's winters flink glad wezen.
- een stuk weg tussen de openbare weg en het huis om de auto te parkeren of als toegang tot een garage
- Het woord oprit staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "oprit" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
| 98 % | van de Vlamingen.[3] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ Johan Harstad“Max, Mischa & het Tet-offensief” (2017), Podium (uitgeverij), ISBN 9789057598500
- ↑ “De Camino” (2021), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024582280 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 5
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Samenstelling in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Verkeer in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 100 %
- Prevalentie Vlaanderen 98 %