Naar inhoud springen

oprit

Uit WikiWoordenboek
  • op·rit
enkelvoud meervoud
naamwoord oprit opritten
verkleinwoord opritje opritjes

deopritm

  1. (verkeer) een toegangsweg tot een grotere weg
    • Hij koos de verkeerde oprit en kwam op de zuidelijke snelweg terecht. 
  2. (verkeer) een omhoog hellende weg naar een brug e.d.
    • Die oprit kan 's winters flink glad wezen. 
  3. een stuk weg tussen de openbare weg en het huis om de auto te parkeren of als toegang tot een garage
    • Parkeer je wagen maar op de oprit. 
     Toen ik de oprit opreed, zat ze met een mok in haar handen op de trap voor het huis.[1]
     De taxi nadert Hoeve Bonnet, rijdt de oprit op en stopt voor de grote poort.[2]
100 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[3]
  1. Johan Harstad
    “Max, Mischa & het Tet-offensief” (2017), Podium (uitgeverij), ISBN 9789057598500
  2. “De Camino” (2021), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024582280
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be