bosrit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

bosrit
Uitspraak
Woordafbreking
  • bos·rit
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bosrit bosritten
verkleinwoord bosritje bosritjes

Zelfstandig naamwoord

bosrit m

  1. een tochtje op de rug van een paard buiten de manege, in het bos
    • Het is raar dat je de grootste angsthazen vindt onder ruiters die nog nooit van hun paard zijn gevallen. Ze willen alleen op het braafste paard van stal, gillen dat hun paard al 'wild' doet als hij alleen maar een stapje opzij zet. Ze willen niet draven of galopperen tijdens een bosrit, en niet met andere paarden samen in de manege, want dan 'schrikt' hun paard. Ze zijn zo bang om te vallen dat ze eigenlijk niet meer echt paardrijden, ook al zitten ze op paardenrug. [1] 
    • Al jaren organiseert manege L. tijdens de zomervakantie voor haar jeugdleden een ruiterkamp. Zo'n veertig kinderen vermaken zich op het ogenblik in Drenthe met bosritten, zwemmen, spellen en speurtochten. Ook Iris had daar dolgraag bij willen zijn. Ze had zich op tijd aangemeld, de betaling was in orde, het programmaboekje kende ze van buiten en ze zag er naar uit. Maar op het laatste moment ging het feest niet door. [2] 
    • Ooit bleef ik tijdens een bosrit met mijn knie achter een boom hangen, terwijl het paard waarop ik zat lekker doorgaloppeerde. De boswachter moest me toen uit de bladeren vissen. Maar nog nooit gleed ik zo knullig naar beneden als vorige week. [3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. NRC Lucette ter Borg 30 augustus 1996 Zandruiters
  2. NRC Dirk van Delft 16 augustus 2000 Ponykamp voor Iris taboe
  3. NRC Sandra Smallenburg 11 juni 2004 Adem in, adem uit
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be