afrit

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·rit
Woordherkomst en -opbouw
  • helling waar men vanaf kan rijden[1]
enkelvoud meervoud
naamwoord afrit afritten
verkleinwoord afritje afritjes

Zelfstandig naamwoord

afrit m

  1. een verkeersweg waarlangs men van een autoweg of autosnelweg af kan rijden
    • Neem de eerste afrit links en ga vervolgens rechtdoor. 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen