uitrit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·rit
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord uitrit uitritten
verkleinwoord uitritje uitritjes

Zelfstandig naamwoord

uitrit m

  1. een plaats of opening waardoor of waarlangs men kan of moet uitrijden
    • Er stond een auto op de uitrit. 
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie