rijf

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rijf
Woordherkomst en -opbouw
  • bn: (erfwoord): Middelnederlands rīve, rieve ‘overvloedig, ruim, mild, rijk voorzien van’, ontwikkeld uit Oergermaans *rībaz of rīfaz, misschien verwant met Litouws riebus (bn.) ‘vet’.[1][2] Evenals Nederduits riev ‘vrijgevig; overvloedig’, Fries rju ‘zeer’, Engels rife ‘welig; wijdverbreid’, Oudnoords rífr ‘begeerd, volwaardig’ (Zweeds en Deens riv).
  • znA: (erfwoord): Middelnederlands rīve, ontwikkeld uit Oergermaans *hrībō-, afgeleid uit het w.w. *hrīfan- ‘krassen, scheuren’, waarvoor zie rijven ‘harken’.[3] Evenals Nederduits Riev ‘rasp’, Duits Reibe ‘rasp’, Fries riuwe ‘hark’ en Zweeds dial. riva ‘hark’.
  • znB: Middelnederlands rīve ‘schrijn, kist’.[4]

Bijvoeglijk naamwoord

rijf [5][6]

  1. mild, royaal
  2. kwistig, overvloedig
  3. spilziek, verkwistend
1, 2 enkelvoud meervoud
naamwoord rijf rijven
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

[A] rijf v/m [7]

  1. (gereedschap) hooihark

Zelfstandig naamwoord

[B] rijf v/m [8]

  1. (België) (religie) relikwieënkast

Werkwoord

vervoeging van
rijven

rijf

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rijven
    • Ik rijf. 
  2. gebiedende wijs van rijven
    • Rijf! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rijven
    • Rijf je? 

Gangbaarheid

22 % van de Nederlanders;
59 % van de Vlamingen.[9]

Meer informatie

Verwijzingen