rek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rek
1 enkelvoud meervoud
naamwoord rek -
verkleinwoord - -
2 enkelvoud meervoud
naamwoord rek rekken
verkleinwoord rekje rekjes

Zelfstandig naamwoord

rek

  1. m vergroting van de lengte van een voorwerp door het aanbrengen van een trekkracht [1]
    • Er zit een aardige rek in. 
  2. o een raamwerk bedoeld voor het bergen van voorwerpen [2]
    • Zet die kopjes even op het rekje. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
rekken

rek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rekken
    • Ik rek. 
  2. gebiedende wijs van rekken
    • Rek! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rekken
    • Rek je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl