stretch

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stretch
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘rekbaar’ voor het eerst aangetroffen in 1979 [1]
  • van het Engels [2]
stellend
onverbogen stretch
verbogen

Bijvoeglijk naamwoord

stretch [3]

  1. rekbaar
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
stretchen

stretch

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stretchen
    • Ik stretch. 
  2. gebiedende wijs van stretchen
    • Stretch! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stretchen
    • Stretch je? 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

stretch

  1. strekken
  2. uitrekken
  3. (figuurlijk) reiken tot (in de hemel, e.d.)

Zelfstandig naamwoord

  1. het strekken, strekking
  2. (figuurlijk) oprekking (van de wetgeving, verbeelding, e.d.)

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 4 februari 2021 Weblink bron stretch in: Oxford English Dictionary, second edition (1989) op oed.com (achter een betaalmuur)