stretch

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stretch
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘rekbaar’ voor het eerst aangetroffen in 1979 [1]
  • van het Engels [2]
stellend
onverbogen stretch
verbogen

Bijvoeglijk naamwoord

stretch [3]

  1. rekbaar
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
stretchen

stretch

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stretchen
    • Ik stretch. 
  2. gebiedende wijs van stretchen
    • Stretch! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stretchen
    • Stretch je? 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Engels

Werkwoord

stretch

  1. uitrekken