bagagerek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

bagagerek aan de voor en achterkant van een fiets
bagagerek bovenop een taxi
Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·ga·ge·rek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bagagerek bagagerekken
verkleinwoord bagagerekje bagagerekjes

Zelfstandig naamwoord

bagagerek o [1]

  1. een rek in of op een vervoermiddel voor personen waar men zijn bagage in kan opbergen
    • Koffer met €1,7 mln aan juwelen uit bagagerek boven hoofd juwelier gestolen: Een Britse handelaar is in een trein van Birmingham naar Londen bestolen van 1,7 miljoen euro aan juwelen. De 35-jarige juwelier kwam er halverwege de rit naar de hoofdstad achter dat zijn koffer met sieraden was verdwenen uit het rek boven zijn hoofd. De politie verspreidde dinsdag een opsporingsfoto.[2] 
    • De nieuwe generatie sprinters van NS krijgt onder meer een hypermodern lichtsysteem, stopcontacten en USB-aansluitingen. Wie met grote bagage komt zal die niet meer boven zijn hoofd kwijt kunnen, want de bagagerekken zijn met het oog op de doorkijk in het ontwerp een stuk kleiner.[3] 
Hyponiemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf 14 nov. 2017
  3. de Telegraaf 19 okt. 2017