rank

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rank
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rank ranken
verkleinwoord rankje rankjes

Zelfstandig naamwoord

rank v/m [2] [3]

  1. een gespecialiseerde stengel, blad of bladsteel voor ondersteuning en hechting
    Die rank zat echt om het hele hek heen gekruld.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen rank ranker rankst
verbogen ranke rankere rankste

Bijvoeglijk naamwoord

rank [6] [7]

  1. slank, tenger, fijngebouwd
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
ranken

rank

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ranken
    Ik rank.
  2. gebiedende wijs van ranken
    Rank!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ranken
    Rank je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. Woordenboek der Nederlandse taal
  4. etymologiebank.nl
  5. etymologiebank.nl
  6. Woordenboek der Nederlandse taal
  7. Woordenboek der Nederlandse taal



Engels

Zelfstandig naamwoord

rank

  1. rang