rank

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rank
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rank ranken
verkleinwoord rankje rankjes

Zelfstandig naamwoord

rank v/m [2] [3]

  1. een gespecialiseerde stengel, blad of bladsteel voor ondersteuning en hechting
    • Die rank zat echt om het hele hek heen gekruld. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen rank ranker rankst
verbogen ranke rankere rankste
partitief ranks rankers -

Bijvoeglijk naamwoord

rank [6] [7]

  1. slank, tenger, fijngebouwd
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
ranken

rank

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ranken
    • Ik rank. 
  2. gebiedende wijs van ranken
    • Rank! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ranken
    • Rank je? 

Verwijzingen


Engels

Zelfstandig naamwoord

rank

  1. rang