pull

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: pulpoel, pool, poule


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pull
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord pull pullen
verkleinwoord pulletje pulletjes

Zelfstandig naamwoord

[A] pull m

  1. (informeel) (kleding) trui die gemakkelijk over andere kleren kan worden gedragen
    • Gastheer Freddy Thielemans, burgemeester van Brussel, liet het op het laatste moment afweten. Eigenlijk was deze afwezigheid voorspelbaar. De schijnbaar gemoedelijke, perfect meertalige socialistische burgemeester van de hoofdstad van Vlaanderen, geeft zich in francofone kringen nog steeds uit als een uitgesproken Vlamingenhater. Hij liet zich dan ook vervangen door een schertsfiguur in pull, maar wel omgord met het erelint dat moet wijzen op zijn schepenambt. [2]
    • Ook de rok en de "pull" door alle vrouwen ter wereld geliefd zal er voorlopig wel niet uitgaan. [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord pull pulls
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

[B] pull m

  1. (communicatie) (economie) aanlokkelijke inhoud of presentatie die de gewenste aandacht spontaan oproept, zonder druk uit te oefenen of daar uitdrukkelijk om te vragen
    • De rol van platenmaatschappij, de muziekgroothandel, de winkelier en de radio zal drastisch veranderen. Het economische model zal naar de mening van Negroponte veranderen van "push" naar "pull": niet de zender speelt de belangrijkste rol in het bepalen van het aanbod, maar de ontvanger. [4]
  2. (sport) (golf) slag waarbij de bal in een rechte lijn links van het doel wordt geslagen (bij linkshandige spelers: rechts van het doel)
    • De pull is een bal die naar links gaat en naar links blijft gaan, in tegenstelling tot een hook, die in eerste instantie naar rechts gaat en dan terugbuigt naar links. [5]
  3. (sport) (cricket) slag waarbij de de batsman de bal meer naar links dan naar voren omlaag slaat (bij linkshandige spelers: meer naar rechts)
    • Promes, de nieuwe batsman, speelde een tijdlang kalm, zeker om te wennen aan de eigenaardigheden, zoals „flight en lift" van de pitch. (…) Een pull en een beauty van een backdrive all the way tot de C tribune van zijn bat, brachten 52 op het bord. Hoe volkomen Promes het spel in deze periode beheerste, moge blijken uit een pull en 2 glides voor 4 runs elk en een big six ver buiten het veld. [6]
  4. (sport) (ultimate frisbee) worp waarmee een wedstrijd begint of na een doelpunt of na de rust wordt hervat
    • Teams moeten zich snel opstellen voor de pull. De pull wordt gegooid door een verdedigende speler nadat het aanvallende team heeft aangegeven dat het gereed is. [7]
  5. (sport) (trekker-trek) sleepbeurt tijdens een wedstrijd
    • Tijdens de pull verschuift het gewicht steeds verder naar voren, zodat de grondweerstand steeds hoger wordt. [8]
Verwante begrippen

Tussenwerpsel

[B] pull!

  1. (sport) (touwtrekken) nu! startsignaal voor het trekken

Gangbaarheid

65 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
vervoeging
onbepaalde wijs to pull
he/she/it pulls
verleden tijd pulled
voltooid
deelwoord
pulled
onvoltooid
deelwoord
pulling
gebiedende wijs pull

Werkwoord

pull

  1. trekken
enkelvoud meervoud
pull pulls

Zelfstandig naamwoord

pull

  1. ruk
  2. aantrekking, aantrekkingskracht
Overerving en ontlening