ruk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ruk

Werkwoord

vervoeging van
rukken

ruk

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rukken
    • Ik ruk. 
  2. gebiedende wijs van rukken
    • Ruk! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rukken
    • Ruk je? 
enkelvoud meervoud
naamwoord ruk rukken
verkleinwoord rukje rukjes

Zelfstandig naamwoord

ruk m

  1. een snelle trekkende beweging.
    • De wind gaf een ruk naar links. 
  2. in één periode zonder onderbreking.
    • In één ruk fietsen we van Amsterdam naar Rotterdam. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Lets

Woordherkomst en -opbouw

Tussenwerpsel

ruk

  1. knor, het geluid van een varken