president

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pre·si·dent
Woordherkomst en -opbouw
  • van het Frans [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord president presidenten
verkleinwoord presidentje presidentjes

Zelfstandig naamwoord

president m

  1. (politiek) het staatshoofd van een republiek
    Barack Obama is sinds kort president van de Verenigde Staten.
  2. een leider of voorzitter
    Hij is president van dat bedrijf.
Hyponiemen