presidentschap
Uiterlijk
- pre·si·dent·schap
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | presidentschap | presidentschappen |
| verkleinwoord |
het presidentschap o
- ambt, waardigheid van president
- oud-premier van Bunga Bunga-land doet opnieuw een gooi naar het presidentschap
- Het is verleidelijk om na een maand presidentschap Trump en Poetin over één kam te scheren. Ze delen immers hun honger naar macht en rijkdom, zijn geobsedeerd met zichzelf, haten de media, hebben lak aan wetten en instituties en liegen er vrolijk op los. [2]
- Trump verspreidde in het laatste jaar van zijn vorige presidentschap volgens Washington Post gemiddeld 39 leugens per dag en dat is bepaald niet minder geworden.[3]
- tijd dat iemand president is
- Het woord presidentschap staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- Zie Wikipedia voor meer informatie.