plein

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • plein
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘open ruimte’ voor het eerst aangetroffen in 1285 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord plein pleinen
verkleinwoord pleintje pleintjes

Zelfstandig naamwoord

plein o

  1. open, onbebouwde, maar aangelegde plaats, vaak te midden van bouwwerken
    • Het plein van ons dorp werd onlangs heraangelegd met nieuwe bloemenperken. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

  enkelvoud meervoud
  mannelijk   plein pleins
  vrouwelijk   pleine pleines

Bijvoeglijk naamwoord

plein

  1. vol; niet leeg.