plein

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • plein
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord plein pleinen
verkleinwoord pleintje pleintjes

Zelfstandig naamwoord

plein o

  1. open, onbebouwde, maar aangelegde plaats, vaak te midden van bouwwerken
    Het plein van ons dorp werd onlangs heraangelegd met nieuwe bloemenperken.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Gangbaarheid
100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl


Frans

  enkelvoud meervoud
  mannelijk   plein pleins
  vrouwelijk   pleine pleines

Bijvoeglijk naamwoord

plein

  1. vol; niet leeg.