orator

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ora·tor
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord orator oratoren
orators
verkleinwoord oratortje oratortjes

Zelfstandig naamwoord

orator m

  1. redenaar
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie


Engels

enkelvoud meervoud
orator orators

Zelfstandig naamwoord

orator

  1. redenaar, orator.
Verwante begrippen


Latijn

Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van orare ("het woord voeren") met het achtervoegsel -tor.

Zelfstandig naamwoord

ōrātor m

  1. redenaar
  2. woordvoerder, onderhandelaar.
Verbuiging