oreren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ore·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
oreren
oreerde
georeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

oreren

  1. inergatief een toespraak houden
  2. inergatief druk en met overdreven hoogdravendheid praten
    • Hij oreerde nog uren door, maar veel inhoud viel er niet in te bespeuren. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders
73 % van de Vlamingen.

Verwijzingen