oreren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ore·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘redevoering houden’ voor het eerst aangetroffen in 1561 [1]
  • afgeleid van het Latijnse ōrāre met het achtervoegsel -eren [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
oreren
oreerde
georeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

oreren

  1. inergatief een toespraak houden
  2. inergatief druk en met overdreven hoogdravendheid praten
    • Hij oreerde nog uren door, maar veel inhoud viel er niet in te bespeuren. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders
73 % van de Vlamingen.

Verwijzingen