genoeg

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·noeg
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘onbepaald telwoord: voldoende’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100 [1]

Onbepaald voornaamwoord

genoeg

  1. voldoende, in een hoeveelheid die niet te veel en niet te weinig is
    • Zo is het wel genoeg thee. 
    • Er zijn mensen genoeg die niet van thee houden. 
     Want ieder jaar gaat er een nieuw Pietje mee, klein genoeg om door de schoorstenen te roetsjen en handig in klauteren en springen.[2]
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • ergens genoeg van krijgen
ergens verveeld door raken
•  De vormen en kleurcombinaties waren mij geheel vreemd maar ik kon er geen genoeg van krijgen. [3] 
Vertalingen

Tussenwerpsel

genoeg

  1. stop!;
    • Genoeg daarmee! 
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
genoegen

genoeg

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van genoegen
    • Ik genoeg. 
  2. gebiedende wijs van genoegen
    • Genoeg! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van genoegen
    • Genoeg je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "genoeg" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Marijke van Raephorst op Wikipedia “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat op Wikipedia, p. 11
  3. Tim Voors: Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada, 2018
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be