uitlaatklep

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

combinatie van inlaatklep en uitlaatklep
Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·laat·klep
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord uitlaatklep uitlaatkleppen
verkleinwoord uitlaatklepje uitlaatklepjes

Zelfstandig naamwoord

uitlaatklep v/m [1]

  1. een klep waardoor verbrandingsgassen een motor met inwendige verbranding kunnen verlaten
  2. (figuurlijk) een handeling waardoor je aan opgekropte gevoelens van boosheid en ergernis uiting kunt geven
    • Houthakken is voor deze man een belangrijke uitlaatklep om zijn frustraties op het werk een uitweg te geven. 
    • Sinds ik gestopt ben met roken, vijf weken geleden, voel ik een groeiende behoefte aan lichamelijke exercitie. Ik fiets en wandel me een ongeluk. Een andere uitlaatklep is graven in 'mijn' tuin.[2] 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Valens, Anton Het compostcirculatieplan 2016 ISBN 978-90-254-4685-7 pagina 15