noklijn

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nok·lijn
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord noklijn noklijnen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

noklijn v/m [1]

  1. hoogste horizontale lijn van een bouwwerk; hoogste gedeelte van een schuin dak waar de twee schuine vlakken elkaar raken
    • Tachtig meter hoger had de noklijn van de stuwdam zullen lopen. Als hij niet in 1994 was afgeblazen.[2] 
    • ‘Hoe kan je bouwen met een schuin dak, maar toch een hedendaags ontwerp neerzetten?’ Door de noklijn van het schuine dak uit elkaar te trekken is een extra ruimte gecreëerd, waar nu het dakterras ligt.[3] 

Gangbaarheid

60 % van de Nederlanders;
64 % van de Vlamingen.

Verwijzingen