monofoon

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mo·no·foon
Woordherkomst en -opbouw
  • met het voorvoegsel mono- en met het achtervoegsel -foon
enkelvoud meervoud
naamwoord monofoon monofonen
verkleinwoord monofoontje monofoontjes

Zelfstandig naamwoord

monofoon m

  1. monofone ringtone
stellend
onverbogen monofoon
verbogen monofone

Bijvoeglijk naamwoord

monofoon

  1. (muziek) in staat slechts één toon tegelijk voort te brengen
Synoniemen

Gangbaarheid

83 % van de Nederlanders;
80 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be