onmogelijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·mo·ge·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen onmogelijk onmogelijker onmogelijkst
verbogen onmogelijke onmogelijkere onmogelijkste
partitief onmogelijks onmogelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

onmogelijk

  1. niet te verwezenlijken
     `Heeft het hotel een nieuwe eigenaar?' vroeg ik.
    `Onlangs is Grand Hotel Europa overgegaan in Chinese handen,' zei hij. 'De nieuwe eigenaar heet meneer Wang. Het gaat om een recente ontwikkeling die we op dit moment onmogelijk kunnen beoordelen.
    [1]
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Pfeiffer, Ilja Leonard op Wikipedia “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 16