lusten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lus·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
lusten
lustte
gelust
zwak -t volledig

Werkwoord

lusten

  1. trek in hebben
    • Ik zou best wel een ijsje lusten. 
     Omdat het mij speet dat mijn aankomst zijn rookpauze had verstoord, en omdat het waar was, zei ik hem, terwijl de taxi zich over het grind van ons verwijderde, dat mijn bagage wel even kon wachten, dat ik een lange reis achter de rug had en dat ik ook wel een sigaret zou lusten.[1]
  2. lekker vinden
    • Lust jij spruitjes? 

Zelfstandig naamwoord

lusten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord lust

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Pfeiffer, Ilja Leonard “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 11