dürfen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • dür·fen
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dürfen
[ˈdʏʁfn̩]
darf
[ˈdʊʁftə]
gedurft
[ɡəˈdʊʁft]
volledig

Werkwoord

dürfen

  1. modaal werkwoord mogen
    «Sie dürfen die Braut jetzt küssen.»
    U mag nu de bruid kussen.