pappa

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pap·pa
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord pappa pappa's
verkleinwoord pappaatje pappaatjes

Zelfstandig naamwoord

pappa m

  1. (informeel) benaming voor mannelijke ouder door zijn kind
    • Ik hernieuwde mijn pogingen vader te zijn: of mijn dochter toch niet komen wou. Desnoods met vriendinnetjes erbij - ze hoefde niet mee naar de opera, ik zou hen zelfs naar een megadiscotheek in Viareggio brengen.
      "En halen, pappa? Dat is juist het probleem. Jij komt altijd te vroeg."
       [2]
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
33 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Middelnederlands

Woordherkomst en -opbouw
  • klanknabootsing en reduplicatie in kindertaal van het begin van een woord dat in veel talen "vader" betekent, aangetroffen in 1283 (zie vindplaats hieronder) [1]

Zelfstandig naamwoord

pappa m

  1. (informeel) benaming voor mannelijke ouder door zijn kind
    • Tote Spieren upten Rijn
      Es een gebeelde scone ende fijn
      In onser Vrouwen eere geset.
      Daer quam een wijf ende haer kint met,
      Ende soe knielde ende bat.
      Hare kindekijn stont vor hare ende at,
      Ende sach upt scone Jhesueel.
      Doe braect van sinen brode een deel
      Ende boot dien beeldekine. Daer na
      Seit in sijn Duutsch: ‘Pappa! pappa!’
       [2]

Verwijzingen


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • pap·pa

Zelfstandig naamwoord

pappa g

  1. vader
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   pappa     pappan     pappor     papporna  
genitief   pappas     pappans     pappors     pappornas  
Synoniemen
Afgeleide begrippen