losse

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • los·se

Bijvoeglijk naamwoord

losse

  1. verbogen vorm van de stellende trap van los

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Pennsylvania-Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • los·se
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Duitse woord  lassen ww 
vervoeging
tegenwoordige tijd, aantonende wijs, bedrijvende vorm
hele vervoeging zie losse/vervoeging
onbepaalde
wijs
losse
verleden
tijd
(ich) hab gelosst
voltooid
deelwoord
gelosst
enkelvoud meervoud
1e persoon ich loss mir / mer losst
2e persoon du losscht dihr / der
dihr / der
dihr / der
ihr / er
ihr / er
nihr / ner
losse
losst, losset
losse
losst
losse
losse
3e persoon er losst sie n
sie losst
es losst

Werkwoord

losse

  1. hulpwerkwoord laten
  2. overgankelijk laten
  3. onovergankelijk laten
  4. wederkerend zich laten
  5. achterwege laten (niet doen), verzuimen
  6. afleggen (bijv. een uitleg), achterlaten (bijv. een antwoord)
  7. goedkeuren, toelaten, toestemmen
  8. laten blijven, iets laten zijn
  9. zich iets openlaten (bijv. alle mogelijkheden)
Opmerkingen