losse

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • los·se

Bijvoeglijk naamwoord

losse

  1. verbogen vorm van de stellende trap van los

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.


Pennsylvania-Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • los·se
vervoeging
tegenwoordige tijd, aantonende wijs, bedrijvende vorm
onbepaalde
wijs
losse
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
gelosst
enkelvoud meervoud
1e persoon ich loss mir losst
2e persoon du losst dihr / der
dihr / der
ihr / er
ihr / er
nihr / ner
losse
losst
losse
losst
losse
3e persoon er losst sie losse
sie losst
es losst

Werkwoord

losse

  1. achterlaten, afleggen
Opmerkingen