afleggen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·leg·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afleggen


legde af


afgelegd


zwak -d volledig

Werkwoord

afleggen

  1. (overgankelijk) het voorbereiden van de overledene(n) op de begrafenis
    De kinderen hielpen mee met het afleggen van hun dode vader.
  2. (overgankelijk) afstand overbruggen
    Ik moest tien kilometer afleggen om thuis te komen.
  3. (inergatief) ~ tegen: verliezen van
    Frankrijk legde het af tegen Nederland tijdens de voetbalwedstrijd.
  4. van het lichaam doen
    Het legde zijn jas af bij het binnentreden van het warme klaslokaal.
  5. doen, volbrengen
    een examen afleggen
Vertalingen

Meer informatie


Nedersaksisch

Werkwoord

afleggen

  1. afleggen

Meer informatie