afleggen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·leg·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afleggen
legde af
afgelegd
zwak -d volledig

Werkwoord

afleggen

  1. overgankelijk het voorbereiden van de overledene(n) op de begrafenis
    • De kinderen hielpen mee met het afleggen van hun dode vader. 
  2. overgankelijk afstand overbruggen
    • Ik moest tien kilometer afleggen om thuis te komen. 
     'Veel mensen leggen de route af per fiets, op de motor of in een klassieke auto.'[1]
  3. inergatief ~ tegen: verliezen van
    • Frankrijk legde het af tegen Nederland tijdens de voetbalwedstrijd. 
  4. van het lichaam doen
    • Het legde zijn jas af bij het binnentreden van het warme klaslokaal. 
  5. doen, volbrengen
    • een examen afleggen 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron Peter Giesen “Route Nationale 7, leuker dan de Route du Soleil” (30 juli 2014), de Volkskrant

Nedersaksisch

Werkwoord

afleggen

  1. afleggen