Naar inhoud springen

leugen

Uit WikiWoordenboek
  • leu·gen
enkelvoud meervoud
naamwoord leugen leugens
verkleinwoord leugentje leugentjes

deleugenv/m

  1. mededeling die niet waar is, met de bedoeling om anderen te misleiden
     In de tussentijd schreef ik wraakgedichten over het Engelse weer en diste ik tegen mijn moeder de leugen op dat Londen het einde was.[6]
  • de vader der leugenen
Satan (letterlijk: zie de Bijbel: Johannes 8:44 )
  • een leugentje om bestwil
leugen met het excuus dat die minder schade oplevert dan het vertellen van de waarheid
  • niet in zijn eerste leugen gestikt zijn
vaak liegen
  • van leugens aaneenhangen
zeer bedrieglijk zijn; veel liegen
  • van leugens aan elkaar hangen
zeer bedrieglijk zijn; veel liegen
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[7]