leugenaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • leu·ge·naar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord leugenaar leugenaars
verkleinwoord leugenaartje leugenaartjes

Zelfstandig naamwoord

leugenaar m

  1. iemand die liegt
    • De grootste leugenaar van deze eeuw is voorlopig nog altijd George W. Bush met zijn leugens over de zogenaamde massavernietigingswapens in Irak 
    • De Franse president Emmanuel Macron haalde ook nog eens uit naar fanatieke Brexiteers: “De keuze van het Britse volk is beïnvloed door degenen die makkelijke oplossingen beloofden. Dat zijn leugenaars. Ze vertrokken de dag erna, zodat ze de gevolgen niet hoefden te dragen.” Daar kunnen Boris Johnson en voormalig UKIP-leider Nigel Farage het mee doen. [1] 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen