keren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ke·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
keren
keerde
gekeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

keren

  1. (overgankelijk) de andere zijde toewenden
    Hij keerde de lap stof zodat de ongebruikte zijde te voorschijn kwam.
  2. (ergatief) een voertuig een bocht van 180 graden doen maken
    Ik vermoedde dat ik op de verkeerde weg zat en ben daarom maar even gekeerd en teruggereden.
  3. (wederkerend) zich ~:
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

keren mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord keer