keren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ke·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
keren
keerde
gekeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

keren

  1. overgankelijk de andere zijde toewenden
    • Hij keerde de lap stof zodat de ongebruikte zijde te voorschijn kwam. 
  2. ergatief een voertuig een bocht van 180 graden doen maken
    • Ik vermoedde dat ik op de verkeerde weg zat en ben daarom maar even gekeerd en teruggereden. 
  3. overgankelijk doen omwenden, tegenhouden, terugdrijven
  4. wederkerend zich ~:
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

keren mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord keer

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie