omkeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·ke·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omkeren
keerde om
omgekeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

omkeren

  1. (ergatief) omdraaien en terugkeren
    Daarna was hij maar omgekeerd, omdat het te laat begon te worden.
  2. (overgankelijk) omdraaien: de andere zijde boven- of voorleggen
  3. (overgankelijk) omdraaien: in het tegenovergestelde doen veranderen
  4. (wederkerend) zich ~: zich omdraaien
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl