Naar inhoud springen

kapper

Uit WikiWoordenboek
  • kap·per
enkelvoud meervoud
naamwoord kapper kappers
verkleinwoord kappertje kappertjes

dekapperm

  1. (beroep) iemand die beroepsmatig de kapsels van mensen verzorgt, haarkapper [2]
     Je hebt van die mannen die niet weten wat de oogkleur van hun vrouw is, die niet merken dat ze naar de kapper is geweest, maar jij bent duizend keer erger.[3]
     Lydie zei: 'Tot straks,' en de kapper drukte Carola een bosje haarspelden in de hand.[4]
     Dus ik naar de kapper om hem te verrassen.[5]
  2. iemand die kapt of hakt [6]
  3. gereedschap dat kapt of hakt
  4. (voeding) (tuinbouw) Capparis spinosa op Wikispecies een in Zuid-Europa voorkomende heester waarvan de ingelegde bloemknoppen worden gebruikt in o.m. kappertjessaus etc. [7] [8]
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[9]

kapper

  1. (beroep) kapper; iemand die beroepsmatig de kapsels van mensen verzorgt, haarkapper

kapper

  1. (beroep) kapper; iemand die beroepsmatig de kapsels van mensen verzorgt, haarkapper