kapot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ka·pot
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘stuk’ voor het eerst aangetroffen in 1717 [1]
  • Van het Duitse kaputt, dat op zijn beurt is ontleend aan ofwel het Franse capot ofwel het Hebreeuwse kaparôt. Een derde verklaring is dat het een verkorting is van de Middeleeuws Latijnse uitdrukking caput essere ("onbruikbaar/onnodig worden"); in feite zou kapot dan hetzelfde woord zijn als het Latijnse caput.
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen kapot kapotter kapotst
verbogen kapotte kapottere kapotste
partitief kapots kapotters -

Bijvoeglijk naamwoord

kapot

  1. gebroken (van glas, porselein enz.)
    • Tja, als je dat glas laat vallen is het kapot. 
  2. niet meer goed functionerend
    • Mijn computer is kapot. 
  3. (informeel) erg verdrietig of geschokt
    • Ik was er kapot van. 
  4. (informeel) erg moe
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen