defect

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • de·fect
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘beschadigd’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1650 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen defect defecter defectst
verbogen defecte defectere defectste
partitief defects defecters -

Bijvoeglijk naamwoord

defect

  1. kapot, niet werkend
    • Het defecte apparaat kon niet meer gerepareerd worden. 
enkelvoud meervoud
naamwoord defect defecten
verkleinwoord defectje defectjes

Zelfstandig naamwoord

defect o

  1. storing, beschadiging van een apparaat
    • De defecten werden provisorisch verholpen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen