ongeschonden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·ge·schon·den
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen ongeschonden ongeschondener ongeschondenst
verbogen ongeschondenste
partitief ongeschondens ongeschondeners -

Bijvoeglijk naamwoord

ongeschonden

  1. zonder schade
    De auto was nog ongeschonden, toen hij van de boot afkwam.

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.