house

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • house
Woordherkomst en -opbouw
  • van het Engels [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord house -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

house m

  1. (muziek) housemuziek
  2. huis
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl

Werkwoord

vervoeging van
housen

house

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van housen
    Ik house.
  2. gebiedende wijs van housen
    House!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van housen
    House je?

Meer informatie


Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Middelengelse hus.
enkelvoud meervoud
house houses

Zelfstandig naamwoord

house

  1. huis
    «Their new house has three bathrooms.»
    Hun nieuw huis heeft drie badkamers.
  2. huisgezin
  3. familie
  4. coterie
vervoeging
onbepaalde wijs to house
he/she/it houses
verleden tijd housed
voltooid
deelwoord
housed
onvoltooid
deelwoord
housing
gebiedende wijs house

Werkwoord

house

  1. (overgankelijk) herbergen
Synoniemen
Uitdrukkingen en gezegden

on the house

  • Op kosten van de barman.

to set up house

  • Zelfstandig gaan wonen.

to keep house

  • Het huishouden doen.