hús

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: hushűs
Hús
Een huis

Faeröers

Uitspraak
  • IPA: / hʉus /

Zelfstandig naamwoord

hús, o

  1. gebouw


Hongaars

Uitspraak
  • IPA: /huːʃ/

Zelfstandig naamwoord

hús

  1. (bouwkunde) huis


IJslands

Uitspraak
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   hús     húsið     hús     húsin  
genitief   húss     hússins     húsa     húsanna  
datief   húsi     húsinu     húsum     húsunum  
accusatief   hús     húsið     hús     húsin  

Zelfstandig naamwoord

hús, o

  1. (bouwkunde) huis
  2. etui, foedraal, hoes, kapsel, kast, omhulsel
Synoniemen
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

hús

  1. accusatief onbepaald onzijdig enkelvoud van hús

hús

  1. nominatief onbepaald onzijdig meervoud van hús

hús

  1. accusatief onbepaald onzijdig meervoud van hús

Meer informatie


Oudnoords

Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig uit het Protogermaans
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   hús     húsit     hús     húsin  
genitief   hús     húsins     húsa     húsanna  
datief   húsi     húsinu     húsum     húsunum  
accusatief   hús     húsit     hús     húsin  

Zelfstandig naamwoord

hús, o

  1. (bouwkunde) huis


Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Overerving en ontlening

Zelfstandig naamwoord

hús

  1. genitief onbepaald onzijdig enkelvoud van hús

hús

  1. accusatief onbepaald onzijdig enkelvoud van hús

hús

  1. nominatief onbepaald onzijdig meervoud van hús

hús

  1. accusatief onbepaald onzijdig meervoud van hús