Naar inhoud springen

honig

Uit WikiWoordenboek
  • ho·nig
enkelvoud meervoud
naamwoord honig
verkleinwoord

dehonigm

  1. (imkerij) honing
    • Iedereen denkt dat honig heel gezond is, maar het is natuurlijk vooral heel veel suiker. 
  • Iemand honig om de mond smeren
iemand vleien [1]
61 %van de Nederlanders;
55 %van de Vlamingen.[2]