honig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ho·nig
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord honig
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

honig m

  1. (imkerij) honing
    • Iedereen denkt dat honig heel gezond is, maar het is natuurlijk vooral heel veel suiker. 
Synoniemen

Gangbaarheid

61 % van de Nederlanders;
55 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be