Naar inhoud springen

honnig

Uit WikiWoordenboek
  • hon·nig
  • afgeleid van  hond zn  met het achtervoegsel -ig als verwijzing naar puppies, waarbij de -d- is weggesleten of een affectieve vorm van  honig zn  [1][2][3]
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen honnighonnigerhonnigst
verbogen honnigehonnigerehonnigste
partitief honnigshonnigers-

honnig

  1. aantrekkelijk op een vertederende manier
     De vrouwtjes zijn babbelziek, kuis (ze gebruiken geen krachttermen) en gevoelig (ze zeggen "honnig" en "vreselijk mooi") volgens Van Ginneken in 1915.[4]
     Daar dronken we allemaal groene thee in een honnig paviljoentje.[5]
16 %van de Nederlanders;
18 %van de Vlamingen.[6]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. honnig op website: Etymologiebank.nl
  3. honnepon op website: Etymologiebank.nl
  4. Bronlink geraadpleegd op 3 mei 2020 Weblink bron
    Liesbeth Koenen
    “Mannen zeggen anders "mhm" dan vrouwen” (17 augustus 1991) op nrc.nl op Wikipedia
  5. Bronlink geraadpleegd op 3 mei 2020 Weblink bron
    Wilma Elferink
    “Hollands dagboek” (13 oktober 1990) op nrc.nl op Wikipedia
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

honnig

  1. (imkerij) honing; een zoete stof die door bijen en enkele andere insecten uit bloemennectar wordt gewonnen

honnig

  1. (imkerij) honing; een zoete stof die door bijen en enkele andere insecten uit bloemennectar wordt gewonnen