hiv

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hiv
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘virus dat aids veroorzaakt’ voor het eerst aangetroffen in 1989 [1]
  • Afkorting van de Engelse frase Human Immune Deficiency Virus
Afkorting

hiv o

  1. een virus met de volledige naam Human Immunodeficiency Virus (menselijk immuundeficiëntievirus)
    • Hiv is een snel muterend retrovirus en is tevens verantwoordelijk voor het syndroom aids. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Noors

Woordafbreking
  • hiv
Woordherkomst en -opbouw
Naar frequentie 6559

Werkwoord

hiv

  1. gebiedende wijs van hive
o
[A]+[B]
enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   hiv     hivet     hiv     hiva
hivene  
genitief   hivs     hivets     hivs     hivas
hivenes  

Zelfstandig naamwoord

[A] hiv o

  1. (het) gooien, (het) werpen
  2. krachttoer
  3. een geladen hoeveelheid
  4. elan, schwung
  5. zwenking

Zelfstandig naamwoord

hiv, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van hiv

Zelfstandig naamwoord

[B] hiv o

  1. (medisch), (afkorting), (initiaalwoord) hiv


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • hiv
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

hiv

  1. gebiedende wijs van hive

hiv

  1. verouderde spelling of vorm van hiver van vóór 2012
(verouderd) voltooid deelwoord van hiva en hive
m
[A]
enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   hiv     hiven     hivar     hivane  

Zelfstandig naamwoord

[A] hiv m

  1. alleen in tweee uitdrukkingen
Synoniemen
  • vere litt drukken
Uitdrukkingen en gezegden
  • vere på ein hiv
een beetje dronken zijn
  • vere på hiven
een beetje dronken zijn
o
[B]+[C]
enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   hiv     hivet     hiv     hiva  

Zelfstandig naamwoord

[B] hiv o

  1. (het) gooien, (het) werpen
  2. krachttoer
  3. een geladen hoeveelheid
  4. elan, schwung
  5. zwenking

Zelfstandig naamwoord

[C] hiv o

  1. (medisch), (afkorting), (initiaalwoord) hiv

Zelfstandig naamwoord

hiv, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van hiv