hiver

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Deens

Woordafbreking
  • hi·ver

Werkwoord

hiver

  1. tegenwoordige tijd van hive


Frans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  hiver     l'hiver     hivers     les hivers  

Zelfstandig naamwoord

hiver m

  1. winter
    «Dans l'hiver, nous allons toujours skier dans les Alpes.»
    In de winter gaan wij altijd in de Alpen skiën.


Noors

Woordafbreking
  • hi·ver
Naar frequentie 8740

Werkwoord

hiver

  1. tegenwoordige tijd van hive


Nynorsk

Woordafbreking
  • hi·ver

Werkwoord

hiver

  1. tegenwoordige tijd van hive