heks

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • heks
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord heks heksen
verkleinwoord heksje heksjes

Zelfstandig naamwoord

heks v [2]

  1. een persoon, meestal een vrouw, aan wie bovennatuurlijke krachten worden toegeschreven
    • In de middeleeuwen werd er in heksen geloofd. 
  2. valse tovenares in sprookjes en mythen
  3. (scheldwoord) onaangename, lastige vrouw
    • wat is dat een heks geworden zeg !!! 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
heksen

heks

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van heksen
    • Ik heks. 
  2. gebiedende wijs van heksen
    • Heks! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van heksen
    • Heks je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal


Deens

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Duitse woord Hexe.
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   heks     heksen     hekse     heksene  
genitief   heks     heksens     hekses     heksenes  

Zelfstandig naamwoord

heks g

  1. heks
  2. een bovennatuurlijk vrouwelijk schepsel, dat volgens de Deense volksgeloof in verbond is met de duivel en dat mensen met behulp van hekserij schaadt
  3. (figuurlijk) een vrouw die boos is, grillig, eigenzinnig, sluwe of op andere wijze onuitstaanbaar is
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: brændt som heks
verbrand als een heks

Zelfstandig naamwoord

heks,

  1. onbepaalde vorm genitief enkelvoud van heks


Noors

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Duitse woord Hexe.
Naar frequentie 3524
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   heks     m: heksen
v: heksa  
  hekser     heksene  
genitief   heks'     m: heksens
v: heksas  
  heksers     heksenes  

Zelfstandig naamwoord

heks m / v

  1. heks
  2. (figuurlijk) een vrouw die boos is, grillig, eigenzinnig, sluwe of op andere wijze onuitstaanbaar is


Afgeleide begrippen


Nynorsk

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Duitse woord Hexe.
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   heks     heksa
(bijvorm) heksi  
  hekser     heksene  

Zelfstandig naamwoord

heks v

  1. heks
  2. (figuurlijk) een vrouw die boos is, grillig, eigenzinnig, sluwe of op andere wijze onuitstaanbaar is
Afgeleide begrippen