magie

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ma·gie
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘toverkunst’ voor het eerst aangetroffen in 1650 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord magie -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

magie v

  1. toverkunst; kracht waar een tovenaar over beschikt door met rituelen, symbolen en bezweringen de hulp van bovennatuurlijke machten in te roepen.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen