Naar inhoud springen

groeide

Uit WikiWoordenboek
  • groei·de
vervoeging van
groeien

groeide

  1. enkelvoud verleden tijd van groeien
    • Ik groeide. 
    • Jij groeide. 
    • Hij, zij, het groeide. 
     'Hij groeide zo hard dat kiezeltjes knarsten ' 'Topper, oma!' Ze houdt haar hand omhoog voor een high five.[1]
     De dagen daarna sliep ik steeds alleen, en langzaam maar zeker groeide mijn zelfvertrouwen.[2]
  1. Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  2. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia